Iedereen kent mijn blote kont
Iedereen kent mijn blote kont
Er zijn mensen die zeggen dat je je kwetsbaar moet opstellen. Dat het goed is om jezelf te laten zien. Dat het verbindt. Ik denk dat ze iets anders bedoelen dan wat ik dagelijks doe.
Mijn kwetsbaarheid heeft geen metafoor nodig. Die is praktisch. Functioneel. Gepland tussen 09.00 en 10:00, afhankelijk van wie er op de planning staat. Want als je afhankelijk bent van ADL-zorg — wassen, aankleden, toilet en douchen — dan is “jezelf laten zien” geen keuze. Het is een handeling. Een routine. Een lopende band.
En op een gegeven moment besef je: heel Arnhem heeft me inmiddels wel naakt gezien.
Niet letterlijk natuurlijk — al komt het soms verdacht dichtbij. Maar zo voelt het wel. Steeds weer een nieuw gezicht boven je bed. “Goedemorgen!” Alsof we elkaar kennen. Alsof het normaal is dat iemand die je net drie seconden geleden hebt ontmoet, zonder aarzeling je onderbroek naar beneden trekt.
En ja, ik weet het. Het is werk. Professioneel. Nodig. Vaak zelfs liefdevol gedaan. Laat daar geen misverstand over bestaan.
Maar waar ben ík in dit verhaal?
Waar is het moment waarop iemand zegt: “Hé, dit is eigenlijk best heftig, hè?”
Niet alleen fysiek afhankelijk zijn, maar ook je grenzen, je schaamte, je lijf — keer op keer — moeten uitlenen aan de zorg en de helpende handen.
Want dat is het. Uitlenen.
Mijn lichaam is een werkplek geworden. Een locatie. Een object waar handelingen op worden uitgevoerd. En ergens onderweg ben ik mezelf een beetje kwijtgeraakt in die logistiek van zorgmomenten.
Wat me misschien nog wel het meest raakt, is hoe normaal het wordt gevonden.
Voor mij. Maar ook voor de zorgverlener.
Want laten we eerlijk zijn: ook zij worden soms met, en soms zonder voorbereiding plots geconfronteerd met lichamen. Met bloot. Met intimiteit die niets met intimiteit te maken heeft. Hop, daar ga je — van theorie naar iemands billen wassen. Zonder echte voorbereiding op wat dat betekent. Niet technisch. Maar menselijk gezien.
We doen alsof het niets is.
Alsof het vanzelf went.
Alsof het geen indruk achterlaat — aan beide kanten van het bed.
Maar het went niet. Het slijt misschien een beetje. Het verhardt. Maar ergens blijft het schuren.
Soms zit dat in kleine dingen: een hand die te vanzelfsprekend wordt. Een grapje over mijn lingerie dat net over de rand gaat. Of juist de complete afwezigheid van contact — alsof mijn lichaam losstaat van mij als persoon.
Alsof ik er zelf niet meer bij hoef te zijn.
En begrijp me niet verkeerd: ik ben dankbaar. Voor de zorg, voor de mensen die het doen, voor de handen die me helpen omdat ik het zelf niet kan.
Maar dankbaarheid en ongemak kunnen prima naast elkaar bestaan.
Misschien moeten we daar eens wat vaker bij stilstaan.
Dat zorg niet alleen gaat over schone lichamen en aangeklede mensen, maar ook over waardigheid. Over gezien worden — ook als je letterlijk al gezien bent. Van top tot teen, en alles daartussenin.
Want ja, heel Arnhem heeft misschien mijn blote kont gezien.
Maar dat betekent niet dat het ooit gewoon wordt.
Veroni Steentjes
juni 2026
